Verdacht

Mijn winterjas had na jaren van trouwe dienst definitief de geest gegeven. Het regenjack dat ik nog bezat, zou bij lange na niet voldoende zijn om de Siberische kou van mijn lijf te houden. Ook al was dat lijf dan Spartaans getraind.
Bij de broers Clemens en August – die van C&A – tastte ik maar eens diep in de buidel om met een zwarte, halflange winterjas mét capuchon naar buiten te wandelen.
Het was maar net op tijd want de eerste schaatswedstrijden op natuurijs stonden al op het programma.

En zo fietste ik met mijn nieuwe jas door de donkere bossen op weg naar huis. De zwarte capuchon had ik enthousiast over mijn uitgedunde haardos getrokken en mijn zwarte handschoenen zaten als gegoten aan mijn ranke handen.
Uit de dopjes die in mijn oren gepropt zaten, klonk de stem van Arthur Japin die zijn boek ‘Een schitterend gebrek’ aan het voorlezen was.
Ik was geheel in trance. Heerlijk warm door mijn nieuwe jas én door de amoureuze belevenissen van Japins Casanova.
Aan het eind van het fietspad door het bos doemde het villawijkje halverwege de rit op. Om onverklaarbare reden zweeg Japin op dat moment. Het was aardedonker en doodstil. Ik freewheelde naar de eerste de beste lantaarnpaal die ik zag en kneep ik de remmen.
Het luisterboek moest blijkbaar doorgestart worden. Dat vereiste wat handelingen waar ik in deze kou nou niet direct op zat te wachten.
Ik trok mijn handschoenen uit en viste de mp3-speler uit de binnenzak. Toen ik voorovergebogen met de capuchon op mijn hoofd onhandig bezig was, stopte er een auto naast me. Schichtig keek ik naar links en zag een politiewagen. Het raam ervan ging tergend langzaam open.

“Wat zijn wij hier aan het doen?”, donderde het alsof ik er met tien jaar cel al niet meer vanaf zou komen.
“Wij…euh…ik ben bezig met een schitterend gebrek”, antwoordde ik met overslaande stem.
“Pardon?”, klonk het nog onheilspellender. Ik zag nu dat ze met z’n tweeën waren.
Ik wist me redelijk te herpakken en zag kans een afdoende verklaring af te leggen over het genot van luisterboeken én over de iets minder plezierige aspecten daarvan.
“Tja”, kwam het van de uit het raam hangende agent, “u staat pontificaal op de oprit van het huis van de burgemeester en u zag er heel erg verdacht uit.” Hij legde op ‘heel erg verdacht’ drie dikke vette klemtonen. Ik slikte maar een keer.
Ik had gruwelijk veel geluk gehad, realiseerde ik me toen de agenten me aanspoorden om als de wiedeweerga mijn tocht te hervatten.

De aanslag

Ik had eigenlijk Harry Mulisch op weg naar huis willen luisteren in plaats van Arthur Japin. Op de indringende vraag van de agent wat ik daar in hemelsnaam aan het doen was, had ik dan naar eer en geweten moeten antwoorden: “Ik ben bezig met de aanslag”.

Om verder te lezen

11 gedachten over “Verdacht”

Reageren? Graag!