Slem het spook

Als iemand me op de man af zou vragen wie of wat ik ben dan zit de kans er dik in dat mijn antwoord zou zijn: ‘ik ben een lezer’.
Ja, ik ben meer lezer dan werker, meer lezer dan echtgenoot (mijn vrouw leest dit stukje toch niet), meer lezer dan afwasser, meer lezer dan hondenbezitter, meer lezer dan feestvierder en meer lezer dan fietser.
In bed liggen luieren, kan de concurrentie met het lezen nog een beetje aan. Maar zelfs dán lees ik.

Op de één of andere manier is het lezen van boeken de rode draad die door mijn leven geweven is. Ik heb op dat vlak natuurlijk mijn periodieke inzinkingen die bekend staan als leesdippen, maar altijd zie ik weer kans om terug te vallen op hardcovers, paperbacks en elektronische boeken.
In de loop der jaren heb ik een aardige verzameling leesvoer bijeengesprokkeld dat zelfs een eigen ruimte heeft gekregen.
Ja, ik ben een lezer. Zonder enige twijfel.
Maar hoe anders had het kunnen lopen.

Kampioen D-3Vandaag zag ik mezelf in een oud fotoalbum terug. Een zevenjarig manneke met een beker in zijn hand.
Ja, het had héél anders kunnen lopen.
Het was 1962 en mijn grootste droom kwam uit: ik mocht bij een echte voetbalclub.
De kleuren van het shirtje en de sokken waren geel-blauw. Het broekje was van een onbestemde teint maar vanwege de clubkleuren was het ongetwijfeld ook iets blauwachtigs.
Om mijn toekomstige profcarrière enige kans van slagen te geven, was ik vanaf dat moment altijd en overal met een bal aan de voet te signaleren. Op woensdagmiddagen bezocht ik de clubtrainingen en op zaterdagmiddagen speelde ik bloedfanatiek wedstrijdjes voor het echt.
Als rechtshalf stond ik bekend om mijn loopvermogen en spelinzicht. Met scoren had ik meer moeite. Op mijn achtste maakte ik mijn eerste, enige en dus laatste doelpunt uit mijn tienjarige voetballeven. Dankzij windkracht zeven in de rug belandde een voorzet van me over een afstand van meer dan vijftig meter in de linker kruising van het doel.
Ik wist op dat moment dat ik zonder externe hulp nooit een Eusébio, Di Stéfano of Puskás zou worden.
Het roer moest om.

Met Sinterklaas vroeg en kreeg ik een notitieboekje en een vierkleurenpen. Op de zondagmiddagen installeerde in me daarmee op de staantribune van het hoofdveld om de verrichtingen van het eerste elftal gade te slaan.
Miesje was journalist geworden.
Ik had een abonnement op het voetbalblad “Goal” en ik wist met grote stelligheid dat de redactie absoluut op iemand zoals ik zat te wachten.
Elke week noteerde ik anderhalf uur lang de verrichtingen van ons vaandelteam.
Als de dieptepunten van het team de hoogtepunten weer eens ver overtroffen dan kreeg ik amper iets op papier. Bij een afstraffing van 9-0 fietste ik zelfs zonder één geschreven regel huiswaarts.
Nadat het eerste elftal drie keer op rij gedegradeerd was, raakte mijn sportjournalistieke carrière totaal in het slop.
Het roer moest opnieuw om.

Op mijn elfde vroeg en kreeg ik een typemachine van Sinterklaas.
Ik sleepte een houten tafeltje en een wankel stoeltje van de zolder en kroop op mijn koude kamertje ’s avonds achter de machine met de krakende hamertjes.
Miesje was romanschrijver geworden.
In de kortste keren had ik mijn eerste boek af. Een meesterwerk getiteld: “Slem het spook en de verdwenen butler.”
Zestig bladzijdes literatuur met een vette hoofdletter L.
Vanwege die titel alleen al leek mijn roem een kwestie van weken te zijn.
Het was alleen was verrekte lastig om een uitgever te vinden. Ik had er namelijk geen flauw idee van waar iemand met een dergelijk beroep zich op zou kunnen houden. Gewoon maar ergens aanbellen, leek me toch niet helemaal de juiste weg naar de onsterfelijkheid.
Ik besloot de roman maar even terzijde te leggen tot me duidelijk zou worden welke wegen ik diende te bewandelen.

Toen kwam onverwacht het leven aan de deur kloppen.
De journalistiek en de romanschrijverij verdwenen voor altijd uit beeld.
Ik werd scholier, student, volleyballer, schaker, bowler, kaarter, minnaar, verloofde, hondenbezitter, echtgenoot en afwasser.
En ik werd lezer. Zomaar, zonder vooropgezet plan.

Hoe totaal anders had het kunnen lopen.
Als ik keeper was geweest in plaats van rechtshalf, als het eerste elftal van mijn vereniging drie keer gepromoveerd was in plaats van gedegradeerd en als onze buren een uitgeverij hadden gehad in plaats van een kapsalon dan had ik nu mijn vijfenzestigste boek gepubliceerd en mijn eigen krantenimperium gehad.
Het is er allemaal niet van gekomen.
Dus lees ik lekker op mijn gemak maar heerlijke boeken zonder me ergens druk om te maken, heb ik een geweldige vrouw, een heerlijke hond, fijne collega’s en een prima afwasborstel.
Eind goed, al goed zou je zeggen.

Maar wat me stiekem toch niet lekker zit, is dat ik mijn eerste, enige en waarschijnlijk laatste roman ‘Slem het spook en de verdwenen butler’ nooit meer terug heb gevonden.

Om verder te lezen

2 gedachten over “Slem het spook”

Reageren? Graag!