Schaakmat

Ik zocht me een breuk, maar kon het nergens vinden. Wat ik boven water wilde krijgen, zou wel eens bijna zestig jaar oud kunnen zijn. Ergens tussen mijn 6e en 10e moest ik het gekregen hebben. Het zou ook zomaar kunnen dat ik het zelf gekocht had van mijn zakgeld. Ik kon het me niet precies herinneren, maar dat ik het nog steeds had, wist ik pertinent zeker. Zoiets gooi ik niet weg. Ik was vier toen ik het spel leerde op het bord dat mijn vader had en twee jaar ouder toen ik hem voor de eerste keer versloeg. Als beloning meldde hij me aan bij de club in de speeltuin.

‘Gevonden’, zei mijn vrouw. Ze weet dat ik altijd verdwaal op zolder en had zich opgeofferd. Ik nam de doos, die zijn beste tijd had gehad, van haar aan en haalde het deksel er af. Het bord lag bovenop. Ik nam het eruit, klapte het open en plaatste alles erop. Het was helemaal compleet. Een bord en tweeëndertig schaakstukken.

Gouden wiek

‘Ik heb nog iets’, zei ze enthousiast toen ik weer bij zinnen was gekomen. Ze toverde een boek achter haar rug vandaan. Het bleek een ingebonden jaargang van ‘Onder de gouden wiek van de engelbewaarder’ te zijn. Een nogal christelijke uitgave voor het voortgezet onderwijs zag ik al bladerende.
De handwerkjuf van de lagere school, waar we allebei op hadden gezeten, had het heel vroeger cadeau gedaan aan de ouders van mijn vrouw. Mijn vrouw kreeg het jaren later weer van haar moeder en had het altijd bewaard. Het was de ingebonden jaargang 1953-1954. Tien fascinerende edities. Het zou nog mooier worden. Ze nam het boekwerk uit mijn handen en liet het me zien.

Elke uitgave bevatte een bijzonder item genaamd ‘Het eigenwijze paardje’. Het was een volledige cursus schaken.
‘Ik ga het ook leren’, vervolgde ze. ‘Het lijkt me een geweldig spel.’
‘Sport’, zei ik als voormalig lid van een schaakclub.
Haar enthousiasme voor het schaken was aangewakkerd door die geweldige serie The Queen’s Gambit op Netflix.
We hadden al zes afleveringen gezien. De tv ging aan en we keken samen de laatste. Tijdens de aftiteling wees ik naar het schaakbord dat nog steeds op de tafel stond met de zestien pionnen, de vier torens, lopers en paarden en de twee dames en koningen.

‘Leg maar uit’, zei mijn vrouw. De eerste partij duurde vijf minuten. Schaakmat. De tweede kostte al iets meer tijd. Schaakmat. Bij partij drie moest ik al flink na gaan denken voordat ik haar te pakken kreeg. Gelukkig weer schaakmat. Mijn vrouw bleek een natuurtalent te zijn.
Ik denk dat ik haar klaar ga stomen voor het wereldkampioenschap vrouwen van boven de 65. We hebben komende februari dan nog precies twee jaar om dat voor elkaar te krijgen. Ik zie die gigantische trofee al op tafel staan.
‘Bestaat zo’n kampioenschap voor vrouwen van boven de 65 eigenlijk wel?’, vroeg mijn vrouw op tweeënzestigjarige leeftijd.
‘Daar ga ik tegen die tijd hoogstpersoonlijk voor zorgen’, antwoordde ik.
Een wereldkampioen hier in huis is altijd al een droom van me geweest.

Nog twee stukjes om te lezen :

Afvoerputje

Het verstopte afvoerputje

Het driehonderdste stukje op mijn website. Eindelijk stond het dan op het punt geschreven te worden. Het moest heel speciaal gaan worden, werd me links ...
Kaarten op tafel

Kaarten op tafel

We schrijven augustus 1962. Een paar maanden voordat die ijzingwekkend koude winter begon. Die winter waarbij de ijspegels aan je neus groeiden als je verkouden ...

Reageren mag altijd