reis

Reis naar het einde van de wereld

Een lange reis onderneem ik altijd met gecamoufleerde tegenzin. Hoewel ik elke dag naar mijn werk fiets, ben ik op reisgebied toch meer van de surplace. Maar soms moet het gewoon weer een keer. De voorbereiding nam drie dagen in beslag. Staat er nog geld op onze OV-chipkaarten die we nooit gebruiken? Hoe kopen we tegenwoordig treinkaartje? Hoe werken die enge poortjes op de NS-stations? Hoe komen we van Amsterdam Centraal naar dat museum kilometers verderop? Voorafgaand aan het grote gebeuren stapte ik even onder de douche, want de verwachte hectiek zou wel wat transpiratie op gaan leveren.

De busreis heen was een enorme meevaller. Nadat we de halte hijgend hadden bereikt, reed een groot gevaarte ons bijna van de sokken. Dat was hem: keurig op tijd. We hadden wonder boven wonder zelfs zitplaatsen. Tijdens de tocht werd er tot vervelens toe omgeroepen om vooral uit te checken. Hou je waffel toch, dacht ik al na twee haltes. Gelukkig voor mijn portemonnee volgde ik het bevel bij halte twaalf wel keurig op. Dat we eigenlijk halte vijftien moesten hebben, was slechts een klein minpuntje.
Vervoermiddel nummer twee, de trein, zat op spoor 5 daarna zo propvol dat ik meende de zijwanden te zien bollen. Twintig minuten wachten, leek geen slecht idee.
De zon stond al recht boven onze hoofden toen we in de grote stad aankwamen. De voettocht van Amsterdam Centraal naar het Rijksmuseum was er één met hindernissen. Ik kan lopend heel slecht met Google Maps overweg en er waren nog vier miljoen mensen die een bezoekje aan de hoofdstad gepland hadden. De aangegeven wandeling van twee kilometer werd, vanwege het continue slalommen en mijn beroerde kaartlezen, netjes verdubbeld.

In het museum waren we toe aan een kopje koffie. Toen we na een half uur wachten een plaatsje hadden weten te bemachtigen in een verhoging die de benaming café had gekregen, trilden mijn benen al van vermoeidheid terwijl het echte loopwerk nog moest beginnen. Ondanks de snel gedownloade plattegrond kregen we het na de koffie niet voor elkaar om alle zalen te vinden. Dit was geen gebouw voor mensen met een totaal gebrek aan richtinggevoel. We zagen een oud schilderij dat iemand De Nachtwacht had genoemd, maar de nieuwe sterren Marten en Oopjen waren in geen velden of wegen te bekennen. Misschien waren ze al naar huis. Gelukkig vonden we de bibliotheek van het museum wel.
Manoeuvrerend tussen honderdduizenden toeristen vonden we tegen zessen die avond, via een behoorlijke omweg, het station weer terug. Jammer wel dat er geen dampend bakje koffie in de trein te krijgen was. Dan zit je toch weer anderhalf uur op een droogje voor je uit staren met een lege batterij in je telefoon.
De bus terug was het laatste onderdeel van de wereldreis. Bij een halte in ons dorp stapte iedereen uit behalve wij tweeën. We waren nog lang niet waar we zijn moesten. ‘Mevrouw, meneer, dit is het eindstation’, maande de chauffeur ons. Hij wees naar de uitgang. En zo liepen we noodgedwongen nog maar een paar kilometer. ‘Au’, deden mij voeten, ‘au’, deed mijn rug en ‘au’ deed de rest van mijn lichaam harmonieus mee.

Over driehonderdvijfenzestig dagen word ik met wat geluk opnieuw een jaartje ouder. Ik denk dat ik dan opteer voor een iets kortere reis. Vanaf mijn woonkamer linea recta de tuin in. Met een lekker koud pilsje en een boek over de schilderkunst van de 17e eeuw nestel ik me dan in een comfortabele tuinstoel. Met een kussentje in de rug en mijn ontblote voeten op een bankje.

31 gedachten over “Reis naar het einde van de wereld”

  1. Meesterlijk stukje. Hoe is het nu met de voeten?
    Volgende keer lettersmid even inseinen, die woont in nultwintig en loodst je zo door de stad.

Reageren? Graag!