goed dat je er bent

Het is een komen en gaan

Van de tekst op dat bord krijg ik spontaan jeuk. “Goed dat je er bent” lees ik er elke morgen om half negen op als ik de stadsgrens passeer. Behalve als ik me verslapen heb. Dan wordt het al snel een half uurtje later. 
Dag na dag vraag ik me krabbend af wie het zo bijzonder op prijs stelt dat ik de stad binnen kom rijden. Als ik ‘s avonds weer onderweg naar huis ben, blijkt ondubbelzinnig dat mijn aanwezigheid door wie dan ook enorm gewaardeerd wordt.
“Goed dat je er was”, lees ik dan om zes uur aan de andere kant van het bord. Behalve als ik me die morgen verslapen heb. Dan is het een half uurtje eerder. Wie later op zijn werk komt, mag ook eerder naar huis, is mijn motto. Jeuk krijg ik van die slogans op dat bord. Elke dag opnieuw.

Voor de zoveelste keer zie ik die morgen het bord opdoemen. Het jeukt deze keer niet als ik het voorbij fiets. Mijn rechterhand hoeft niet richting kruis. Zelfs op mijn hoofd en onder mijn oksels voel ik niets kriebelen. Ik ben zomaar ineens opgetogen dat ik nog kán werken en dat ik gezond van lijf en leden de pedalen nog aangenaam rond krijg.
Al vijfentwintig jaar lang fiets ik elke dag elf kilometer om in de stad te komen. Dat doe ik alleen omdat ik er graag wil zijn, lijkt me. Dat het wat langzamer gaat tegenwoordig is slechts een verwaarloosbaar minpuntje. Het is inderdaad goed dat ik er ben.

Als ik die avond het bord op de terugweg ontwaar, zwaai ik er even naar. Hoewel ik wat meer transpireer dan anders vervolg ik fluitend mijn weg. Tweeënhalfduizend keer mag ik nog langs het bord fietsen. De helft van de keren zal ik ‘Goed dat je er bent’ zien en de andere keren ‘Goed dat je er was’.
Ik realiseer me plotseling dat ik over zes jaar dus al met pensioen moet. Dat bord ga ik verschrikkelijk missen. Ik ga eens aan mijn baas vragen of ik niet een jaartje of zes, zeven langer door mag werken. Achtenzestig lentes zo pril is toch wel erg jong om te stoppen.
Als ik thuis aankom en van mijn fiets stap, ben ik wat duizelig. Binnen pak ik de thermometer uit het medicijnkastje en duw die vlug onder mijn tong. Na drie minuten lees ik het vonnis af: ik heb koorts. Flink ijlen zal daar wel bij horen.

Om verder te lezen

15 gedachten over “Het is een komen en gaan”

  1. Ha ha, ik was even bang dat er een steekje los zat in je bovenkamer, tot ik de laatste stukje las.
    Ik vind het wel een idee om mijn leidinggevende voor te stellen zo’n bord bij de ingang van het verpleeghuis op te hangen.

Reageren? Graag!