Haren overeind

Er kan moeilijk van me gezegd worden dat ik een ingewijde op horrorgebied ben.
Ik kijk ’s morgens natuurlijk wel eens in een spiegel zodat het onverwacht verschieten mij niet geheel vreemd is, maar iets gelezen in het genre had ik nog nooit.
Schrijvers als Daniel Hecht en John Connelly hebben een aardig portie bovennatuurlijks in hun voortreffelijke boeken zitten maar échte horror is dat toch niet.
Nee, voor het nachtenlang van pure schrik wakker liggen, moest je bij Stephen King zijn, had ik me laten vertellen.

Nu was ik al Kingfan vanwege “The Shawshank Redemption” en het meesterlijke “De groene mijl” maar tot het lezen van zijn echte horrorwerk had ik me nooit kunnen zetten.
Pat Semetary“Dodenwake” (Pet Semetary) moest het boek gaan worden dat me uit mijn slaap zou houden; het boek dat me de ultieme angst in zou boezemen; het boek dat me keer op keer zou doen verstijven.

Op bladzijde 34 liet ik “Dodenwake” uit mijn handen vallen om een klein uurtje later weer wakker te worden. Het ritueel herhaalde zich een week later op bladzijde 118 en nog een keer drie weken daarna op bladzijde 241.
Ik kwam er niet doorheen. Niet dat King niet kan schrijven maar ik heb waarschijnlijk gewoon te weinig fantasie om me aan te laten leunen dat stoffelijke overschotten op enig moment weer vrolijk aan de wandel gaan. Ik kon er niet wakker van liggen.

Ik had mijn vrouw niet thuis horen komen toen ik “Dodenwake” gisteravond tegen twaalf uur dan eindelijk dicht kon slaan.
“Hallo”, riep ze vrolijk nog geen twintig centimeter achter me. Mijn drie resterende haren schoten van angst de lucht in en mijn hart begon ongezond te bonzen.
“Sodejuin, ik verschiet me het apelazerus”, beet ik haar toe. Toen ik tot bedaren was gekomen, realiseerde ik me dat ze voor elkaar gekregen had wat Stephen King niet gelukt was: mij naar adem doen laten happen.

Om verder te lezen