Filosofie

We hebben een hond. Op zich is dat niet spectaculair, omdat er wel meer mensen een hond bezitten. Onze Schotse collie begrijpt woorden als kom, wacht, vooruit en breng, maar ook dat is geen kwaliteit waar bewonderaars steil van achterover slaan.

Dat ze kan tellen, gaat al een stapje verder. Vaak duwt ze één van haar ontelbare speelgoedbeesten in mijn schoot. Dat gebeurt altijd als ik rustig op de bank filosofie zit te lezen. Nooit als ik bezig ben in een roman of thriller. Dat geeft aan dat we hier toch wel met een speciale hond van doen hebben.

Ik gooi het stoffen geval dat ze heeft uitgekozen vakkundig onder de salontafel door. ‘Één’, tel ik. Ze loopt om de tafel heen en duikt aan de andere op het dier dat een eenhoorn voor moet stellen. Ze brengt het naar me toe en laat het op mijn hand los. Opnieuw zwier ik het vakkundig naar de overzijde. ‘Twee’, zeg ik. Weg is ze weer.

Het ritueel herhaalt zich nog vijf keer en dan weet ze dat het spel over is. Na precies zeven keer stop ik altijd. Met een gepikeerd blafje druipt ze af naar haar mand. Ik voel me weer schuldig, omdat ik weet dat ze tot dertig kan tellen en tot dat aantal door wil gaan.

Ik zat ‘Brieven aan Koos’ van Tim Franssen te lezen. Filosofie moest haar inmiddels aanspreken, want ze kwam deze keer niet met haar neusloze kameel, blauwe kip of driepotige olifant aanzetten, maar duwde vier keer hard met haar snuit tegen het boek. Ik vermoedde dat ze het zelf wilde hebben. Ik dirigeerde haar naar de dichtstbijzijnde fauteuil en zette het filosofieboek tegen haar linkerflank.

Als je een hond met interesse voor filosofie hebt, mag je geen rem op haar ontwikkeling zetten. Ze liet het boek echter onberoerd, zuchtte eens diep en sloot haar ogen. Ik wist niet wat ik nu weer fout had gedaan. Volgens mij doet ze het erom.

Valkenswaard,