De verdwenen kamer

Zij voert kalm de kippen. Hij kijkt naar haar met zijn jachtgeweer op de rug. In de boerderij wonen ze met hun twaalf kinderen. Een keuken, een bijkeuken, een kleine zitkamer, een slaapkamer beneden, een opkamer en nog een minuscuul kamertje iets hoger. Op het erf staan kippenrennen en de varkensstal is aan het huis gebouwd.
Het is er krap voor veertien mensen maar er is ruimte genoeg voor de beesten.

Toen ik er voor de eerste keer kwam, woonden er nog maar een paar kinderen thuis. De rest was al getrouwd. Elk hoekje van de boerderij kende ik. ’s Zondags fietsten we er naartoe. Als het gesneeuwd had, gingen we te voet door de bossen. Een kilometer of zes moet het geweest zijn.
Altijd vond ik wel ergens een bal waarmee ik tegen de gevel kon trappen. Ik ging op onderzoek uit en struinde alles af. Ze lieten me begaan. De koffiepot op de keukentafel, de vliegenvanger aan het plafond en de varkens liet ik met rust maar al het andere moest ik in mijn handen zien te krijgen. Ik voelde me er thuis.
Zij die de kippen voerde, heb ik goed gekend. Van hem die naar haar keek met het jachtgeweer op de rug herinner ik me maar één ontmoeting.

Vorige maand verdween plotseling de zitkamer van die boerderij uit mijn geheugen. Helemaal uitgewist. Al weken probeer ik hem terug te krijgen.
Ik loop in gedachten van de keuken naar de slaapkamer op de begane grond. Ik moet door de zitkamer. Maar die blijft weg. Hoe hard ik ook nadenk. Geen tafel, geen stoelen, geen planten en geen snuisterijen. Alleen maar lege ruimte. Zelfs de muren zie ik niet meer opdoemen.
Vanuit de verdwenen kamer wandel ik de slaapkamer in. Daar zie ik mijn grootvader weer in bed liggen. Misschien maar een jaar ouder dan ik nu ben. Hij ligt er al maanden. Hij heeft kanker. Uitgemergeld tot op het bot. Beresterk is ie en hij wil niet van opgeven weten. Die week is mijn grootmoeder nog naar het gemeentehuis in de stad gefietst om een nieuwe vergunning te regelen. Het jachtseizoen gaat open. Hij wil er klaar voor zijn.

Ik ben een jaar of vier en weet nog niet wat doodgaan is. Mijn grootvader kermt van de pijn. Ik heb een speelgoedpistooltje in mijn hand.
“Opa, als je je mond niet houdt dan schiet ik je dood”, zeg ik.
Mijn ouders deinzen achteruit en kijken me verschrikt aan.
Mijn grootvader stopt met kreunen en komt een beetje overeind. Hij glimlacht.
“Laat het manneke maar”, zegt ie, “hij begrijpt het nog niet.”
Hij reikt met zijn hand naar me en ik pak die beet.

Roken

Roken

/ Familiebanden, Mensentaal

21 gedachten over “De verdwenen kamer”

  1. Mooi beschreven, Mies. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen, ook ik ging vroeger naar opa en oma. Ze woonden toen nog op de boerderij waar mijn vader geboren was en ik mocht daar in de vakantie komen logeren, soms. (Is was een druk kind, thuis) Graag Gelezen 🙂

Reacties zijn gesloten.