De duif

Ik had geen idee hoe hij in onze tuin terecht was gekomen. De poort was hermetisch afgesloten en vliegtechnisch gaf ik geen stuiver meer voor hem.
Zwaar gehavend zat hij verdwaasd voor zich uit te kijken. Zijn snavel had het zwaar te verduren gehad en zijn verenpak was vuil en gescheurd.
Een oneerlijk gevecht met een agressieve kat leek me een alleszins plausibele verklaring voor de staat waarin hij verkeerde.
Het was een zielig hoopje duif dat me angstig maar hoopvol aankeek. Ik had met het arme schepsel te doen maar ik moest écht naar mijn werk. Ik hoopte dat de duif daar begrip voor op zou kunnen brengen.
Gelukkig voor de vogel leef ik met een zorgzame vrouw die de duif direct onder haar hoede nam. Hij kreeg water, voer en een onderkomen gemaakt van twee kartonnen dozen. Het beestje knapte in de weken die volgden zienderogen op. Elke dag hield ik hem een paar keer gezelschap. Na drie weken kon hij nog steeds niet vliegen maar hij tjoepte al beduidend vrolijker rond leek me.

Eergisteren hurkte ik, voordat ik naar mijn werk fietste, gewoontegetrouw weer eventjes naast de duif neer.
“Je het maar goed getroffen maat”, zei ik tegen hem, “zonder de vrouw des huizes hadden ze je bij elkaar kunnen harken. Je bent er nog lang niet maar je gaat het volgens mij wel redden.”
Ik nam wat vogelvoer in mijn rechterhand en hield het hem voor. Hij pikte er voorzichtig wat van weg. Toen hij naar me opkeek, ging zijn snaveltje langzaam op en neer. Ik durfde er wat onder te verwedden dat ik hem zachtjes hoorde zeggen: “ik ben verrekte blij dat je nog even komt kijken.”
Toen ik die avond thuis kwam, zag ik de duif niet zitten in zijn provisorische behuizing. Ik keek wat rond maar er was geen levend wezen te bekennen.
Het werd te donker om verder te zoeken. Ik ging naar bed en viel onrustig in slaap. Ik droomde over katten van twee meter die zielige kleine duifjes achterna zaten.

Ook ’s morgens was er geen enkele beweging in de tuin te zien. Het kartonnen huisje was leeg. Ik fietste met een ongerust gevoel naar mijn werk. Tegen tienen belde ik naar huis om te vragen of mijn vrouw de duif al ergens rond had zien huppelen. Volgens haar zou hij gewoon in de tuin iets zitten te doen wat duiven zoal doen als ze zich vervelen.
Twintig minuten later belde ze me terug: “De duif … ik heb nog even goed gekeken”.
Er viel een iets te lange pauze.
“Ik zal hem netjes begraven”, zei ze toen zachtjes.

 

Om verder te lezen

5 gedachten over “De duif”

Reageren? Graag!