De boot van Texel

In 1992 zijn we abrupt gestopt met autorijden naar het buitenland. Op de heenweg naar Denemarken transpireerden we aan één stuk door in een gigantische file van dertien uur en op de terugweg verdwaalden we hopeloos. Van airco en navigatie had geen mens ooit gehoord. Voortaan gingen we met de boot naar Texel.
Buiten Nederland zien ze me niet meer, had ik dapper tegen mijn vrouw gezegd. Texel is ook joekels ver, maar ik ben van de compromissen en ook de beroerdste niet. Mijn vrouw had een diepe zucht geslaakt.

Snel uitgerekend reden we vanmorgen om half tien voor de dertigste keer met de auto het dek op van de boot die vanaf Texel twintig minuten later in Den Helder aan zou meren. Onze korte vakantie zat erop. Het was een race tegen de klok geweest omdat we iets te laat waren opgestaan. Ik was vergeten om in ons huisje voor vertrek nog even te plassen. Dat moest dus op de boot gebeuren omdat ik met een volle blaas nog beroerder rij dan met een lege.

We stonden op het laagste dek en ik vloog drie trappen omhoog. Mijn vrouw en onze hond bleven in de auto zitten omdat ze niet zo’n getrainde traplopers zijn. Ik had al zestig tochtjes met de boot gemaakt – dertig keer heen en volgens mij ook precies dat aantal terug – en vond het toilet voor mijn doen dus redelijk snel. De opluchting was groot en ik liep naar buiten waar ik over de reling hangend relaxed genoot van de golven, het uitzicht en de meeuwen.

Na tien minuten was ik klaar met genieten, ging een deur door en daalde drie trappen af. Onze auto hadden we moeten parkeren in het pad aan de buitenkant, maar hij bleek er niet meer te staan. Ik liep drie keer van voor naar achter en weer terug. Even dacht ik dat mijn vrouw al vertrokken was omdat ze de reservesleutel had, maar dat leek me met een auto voor en eentje achter ons in een nog varende boot toch niet echt plausibel.

‘Beste reizigers, we naderen Den Helder. Wilt u zich naar de voertuigen begeven’, zei een mevrouw vriendelijk door de intercom.
Ja, dat wilde ik bijzonder graag. Alleen had ik een klein probleempje.
Ik schatte in dat er nog een minuut of vijf te gaan waren. Ik had twee opties: in paniek raken of rustig blijven. Tegen mijn natuur in koos ik voor het laatste.

Mij hersenen gingen in de hoogste versnelling. In spoelde elke stap die ik genomen had terug. Daar links of was het toch rechts geweest? Waren het echt drie trappen of toch maar twee? Mijn wandelen ging over in snelwandelen en daarna in rennen. Ik vloog kriskras over de dekken tussen de auto’s door. Ik besloot op dat moment om toch maar om in paniek te raken.

Nog twee minuten te gaan. Misschien anderhalf. Toen zag ik ineens een kopje van een Schotse collie door een raampje in de verte. Toevallig hebben wij ook een Schotse collie. Wat is de kans dat er twee Schotse collies op één boot zitten? Ik overbrugde dertig meter in zes seconden. Eureka! De auto voor ons startte de motor. Ik stapte in die van ons.

‘Waar bleef je nou?’, vroeg mijn vrouw met overslaande stem. ‘Ik zat ‘m behoorlijk te knijpen.’
‘Dat gepanikeer van je is echt nergens voor nodig. De boot van Texel heeft na dertig jaar geen geheimen meer voor me. Ik weet de overtocht tot op de seconde te timen.’

Valkenswaard,