55 woordenverhalen – deel 1

Ik zou natuurlijk gigantisch beroemd kunnen zijn als er wat ambitie en doorzettingsvermogen in mijn genen geslopen waren. Die benodigde eigenschappen voor onsterfelijke roem zaten helaas niet in het erfmateriaal.
Op mijn zevende kreeg ik drumles. Ik wil niet te zeer opscheppen maar ik had de rechterhand van Charlie Watts en de linker van Cesar Zuiderwijk. Nog nooit hadden de mensen in onze buurt zo’n gigantisch muzikaal talent in hun midden gehad.
“Ringo Starr is er niks bij”, riep mijn drumleraar al euforisch als ik twee keer met de stokjes had geslagen.
Spijtig genoeg zeiden me op die leeftijd seks, drugs en rock & roll nog niet zoveel. Ik voetbalde op de vrije woensdagmiddag liever met mijn vriendjes dan dat ik Keith Moon van The Who van zijn troon zat te stoten.
“Vaarwel”, zei ik op zo’n woensdagmiddag tegen de leraar nadat ik zeventien minuten en twee seconden In a gadda da vida van Iron Butterfly had gedrumd. Ik zag de man nooit meer terug.

Ik was een enorm voetbaltalent. Als rechtsbenige linkervleugelverdediger schoot ik de ballen onvoorstelbaar ver weg. Meestal werden ze in één van de aangrenzende dorpen terug gevonden. Ik speelde me met die kwaliteit wel in de kijker. Scouts van profclubs hadden me in de smiezen en probeerden mijn ouders telefonisch te bereiken voor een vet contract. Jammer genoeg hadden we in die tijd nog geen telefoon. Ik had het trouwens na een paar jaar ook wel gezien op de grasmat omdat ik absoluut geen buitenmens ben. Mijn weerzin tegen wind en regen was ongekend groot. Een glanzende voetbalcarrière werd voortijdig in de kiem gesmoord.

De muziek en de sport werden het dus niet. Schrijven dan misschien? Nou nee, niet echt als het aan mij lag. Ik had een verschrikkelijke hekel aan die typemachines zonder correctiemogelijkheid. In elke drie zinnen zaten twaalf tikfouten dus daar ging allemaal te veel vrije tijd in zitten. Ik had wel wat beters te doen op die leeftijd. Wat filosofisch voor me uit zitten staren, was één van mijn favoriete bezigheden. Maar echt beroemd scheen je daar, als je geen Nietzsche of Schopenhauer was, niet van te worden.
Ten langen leste koos ik maar voor een rustig kantoorbaantje met een salaris waarmee diamanten ringen en privévliegtuigen ver buiten mijn bereik kwamen te liggen. De jaren gingen ongemerkt in anonimiteit voorbij. Toen er computers op de markt verschenen, wilde ik ook zo’n ding. Je kon er leuke dingetjes mee doen, had ik horen vertellen. Een paar jaar geleden was ik aan een eigen website toe. Alleen een hond om mee te wandelen, gaat op den duur ook vervelen. Aan schrijfwedstrijden deed ik niet mee. Daarvoor was ik te lui en ongedisciplineerd.

Een verhaaltje van precies 55 woorden leek me wel te doen en dus stuurde ik er eentje in. Dat verhaaltje staat nu ineens in een bundeltje. Pauw, Tan of Van Nieuwkerk hebben me nog niet gebeld. En dat terwijl ik tegenwoordig toch echt wel een telefoon bezit. Beroemd worden gaat voor mijn zestigste nu zeker niet meer lukken.

De opbrengst van de bundel komt ten goede aan de stichting Lezen en Schrijven. Mijn bijdrage kun je hier vinden.

Om verder te lezen

22 gedachten over “55 woordenverhalen – deel 1”

  1. Volgens mij kan jouw humeur wel tegen een stootje. Zo niet dan is deze reactie een opsteker.
    Ik ben in mijn familie, vrienden en kennissenkring wereldberoemd en meer moet dat beslist niet worden. Ik schrijf als ik tijd, zin en gelegenheid heb en ik moet er niet aan denken dat er, vanwege die beroemdheid, met regelmaat iets geproduceerd moet worden.
    Op mijn (onze) leeftijd zou het woordje ‘moeten’ helemaal niet meer mogen bestaan. Doe wat je leuk vindt en je kan beter geliefd zijn bij een paar dan beroemd met alles wat daar bij komt kijken.

  2. Ik ben zelf ook bij schrijverspunt begonnen met schrijven, omdat ik vond dat dit tijd werd. 😉 Ik heb er veel aan gehad, leuk dat je het bundeltje onder de aandacht brengt, ik zal eens een kijkje nemen binnenkort. Toch gefeliciteerd hoor, 55 woorden of meer, dat maakt niet uit. Het is toch een fijn resultaat.

Reageren? Graag!